OVER TIELSE TINTEN

Van eind mei 2012 tot begin december 2012 bezocht ik mijn moeder dagelijks in ziekenhuis Rivierenland.

Kanker.

Zij werd verplaatst van de Intensive Care naar een gewone afdeling.
Toen naar een schakel-afdeling.
Toen toch weer niet.
Toch weer wel.
Toch weer niet.
Toen weer wel naar een schakel-afdeling.
Terug naar een gewone.
En weer naar de Intensive Care.
En via een gewone afdeling.
Weer terug naar een schakel-afdeling.

Het zinnetje ‘The saddest thing that I’d ever seen / We’re smokers outside the hospital doors’ van The Editors draaide iedere keer dat ik de draaideuren van ziekenhuis Rivierenland doordraaide in m’n hoofd. Ik zag elke dag weer de meest toegetakelde patiënten buiten in het rookhokje zitten. Met stickers op hun hoofd, infusen aan hun lichaam, aan weet ik veel wat voor medische apparaten gekoppeld, maar ze bleven toch stug doorroken. Why, tell me why?

Ik dacht dat dat het meest fascinerende was wat ik zou zien.

Tot ik voor de eerste keer de schakel-afdeling bezocht.

In de gang van het reguliere ziekenhuis naar het oude ziekenhuis, de gang naar de schakel-afdeling op de eerste verdieping, zag ik kunst aan de muur hangen die ik nog herkende van toen ik een klein meisje was. Ik zie mezelf als 5- of 6-jarige nog staren naar een roze macremé-patchwork-jaren-70-ding met allemaal glitterstenen erin. Ik vond het prachtig toen. Hoe bijzonder moest je zijn om dat wat je maakte op te mogen hangen in het ziekenhuis? Hét ziekenhuis! Daar waar zoveel mensen het zagen? Dat wou ik ook! Nu, 30 jaar later, 30 jaar, hangt dat schilderij er nog steeds. Het is van roze naar oud-roze verkleurd en de tijd heeft de stof en het draad geen goed gedaan. Het ziet eruit als een verlept bosje bloemen. Al doen bloemen er een week over om te verleppen, dit kunstwerk heeft er jaren en jaren over gedaan. En het hangt er nog steeds. De rest van de muren was leeg. Er hangen lege spijkers.

Vergankelijkheid.

Ik had nog nooit eerder geschilderd, zocht een uitlaatklep en wilde wat kleur op de lege muren brengen. Ik ben naar de Action gefiets, heb wat doeken en verf gekocht en heb een kwast gepakt en ben begonnen. Als ik had gevraagd of ik mijn kunstwerken op zou mogen hangen in die gang op de eerste verdieping van het reguliere naar het oude ziekenhuis, op de gang van vergankelijkheid, dan zou ik waarschijnlijk 20 belletjes kwijt zijn. En op dat antwoord zou ik 20 dagen moeten wachten. Of 20 weken. Of 20 maanden. Kastjes. Muren. Net zoals mijn moeder weken, maanden van kastjes naar muren werd gestuurd. En dan zou het antwoord waarschijnlijk toch ‘nee’ zijn.

Ik heb mijn schilderijen gewoon opgehangen. Aan de lege spijkers.

De schilderijen mochten gratis meegenomen worden en iedere keer als er weer een plekje leeg kwam heb ik een nieuwe opgehangen. De schilderijen waren gratis, maar op elk schilderij zat een briefje: ‘Vind je dit schilderij mooi? Neem het dan mee, gratis en voor niets! Vind je dit schilderij wat waard? Doneer dan een bedrag op giro 26000 t.n.v. KWF Kankerbestrijding.´

Mijn moeder is, tegen alle verwachtingen in, inmiddels weer thuis. Ze heeft nog steeds kanker en staat onder regelmatige controle van de oncoloog. Ze voelt zich prima en lijkt af en toe zelfs meer energie te hebben dan ik. Mijn moeder zegt regelmatig ‘het was mijn tijd nog niet’, maar ze is weer thuis gekomen omdat ze zelf keihard heeft gevochten en gerevalideerd. Mijn moeder is een tijger.

En ik ben blijven schilderen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>